035. Bijbelstudie over de
BESNIJDENIS - B’RIT MILA
hlym9tyrb
Deze bijbelstudie gaat over een zeer omstreden onderwerp: de besnijdenis van niet-joden, want reeds vanaf de tijd van Paulus zijn de meningen hierover sterk verdeeld. Vanuit de christelijke hoek ontstond de dwaalleer dat de doop in de plaats van de besnijdenis zou zijn gekomen en derhalve geen enkele gelovige meer besneden hoeft te worden, dus ook niet de bekeerde Joden. Vanuit de Joodse hoek daarentegen ontstond de opvatting dat juist iedere gelovige besneden zou moeten worden, dus ook de bekeerde heidenen. Wij zullen de beide stellingen in deze studie nader onder de loep nemen. Het zou best nog wel eens kunnen dat u straks enkele Schriftgedeelten diverse keren zult tegenkomen. Dat is bewust gedaan omdat sommige teksten een dubbele lading hebben en derhalve vanuit verschillende invalshoeken worden belicht.
In de kerken die de kinderdoop
hanteren, kent men de zogenaamde doopformulieren, waarin staat, dat de doop de
plaats inneemt van de besnijdenis als handeling waardoor dat kind deel uitmaakt
van het verbond. Het dopen van baby’s is dus gebaseerd op de vervangingsleer,
het idee dat de kerk in de plaats van Israël zou zijn gekomen. Nergens in de
Bijbel vinden wij een bewijs voor deze stelling. Integendeel! De
vervangingsleer is puur gebaseerd op antisemitisme en heeft door de eeuwen heen
veel ellende veroorzaakt! Bovendien is het besprenkelen van een baby sowieso
onbijbels en heeft niets te maken met de bijbelse doop door onderdompeling.
Verder negeert men met de kinderdoop volledig de noodzakelijkheid van de
bekering, die aan de doop moet voorafgaan:
“Bekeert u en een ieder van u late zich dopen” lezen wij in Handelingen
2:38 en “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden” in Marcus
16:16. Er staat dus: éérst bekeren en dàn laten dopen - éérst geloven en dàn
laten dopen! Niet alvast een baby dopen en dan maar afwachten of het zich later
wel of niet bekeert en gelooft. Een ander misverstand is de christelijke
opvatting, dat de doop het teken van het Nieuwe Verbond zou zijn, omdat de
besnijdenis het teken is van het Oude Verbond. Ten eerste sluiten beide
verbonden elkaar niet uit, want het Nieuwe Verbond is geen vervanging van het
Oude, maar loopt er parallel mee op een hoger niveau, en ten tweede is het
teken van het Nieuwe Verbond het
En nu gaan we kijken naar de andere groep. In Handelingen 15:1-6 komen wij de stelling voor het eerst tegen, dat de gelovigen uit de volken besneden zouden moeten worden: “En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Moshe [Mozes], kunt gij niet behouden worden. En toen er van de zijde van Sha’ul [Paulus] en Bar-Naba [Barnabas] geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Sha’ul en Bar-Naba en nog enigen van hen op zich tot de Sh’lichim [apostelen] en Z’qenim [oudsten] te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil. Zij reisden dan, nadat hun door de gemeenten uitgeleide gedaan was, door Fenicie en Samaria, en bereidden met hun verhaal van de bekering der heidenen al de broeders grote blijdschap. En te Jeruzalem aangekomen, werden zij door de gemeente, de Sh’lichim [apostelen] en Z’qenim [oudsten] ontvangen en vermeldden al wat G’d met hen gedaan had. Maar er stonden uit de partij der P’rushim [Farizeeën] enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de Tora van Moshe [Mozes] te houden. En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen.” Uit Galaten 2:2-3 blijkt heel duidelijk welk besluit de apostelen in deze vergadering genomen hebben, namelijk dat de gelovigen uit de volken niet besneden hoeven te worden, want Sha’ul [Paulus] schrijft hierover: “Zelfs Titus, die bij mij was, werd, ofschoon hij een Griek was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden, en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in de Mashiach Yeshua hebben, te bespieden en zo ons tot slavernij te brengen.” Echter ten aanzien van het houden van de Tora, naast de besnijdenis de tweede eis van deze P’rushim [Farizeeën], ging de vergadering akkoord met het voorstel van de voorzitter Ya’aqov [Jacobus], die het woord nam en na het citeren van een profetie over de toetreding van niet-joden zei: “Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot G’d bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. Immers Moshe [Mozes] heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke Shabat in de synagogen wordt voorgelezen.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 15:19-21). Met andere woorden: de gelovigen uit de volken moesten alvast beginnen met het houden van de vier in vers 20 genoemde geboden en de rest van de Tora konden zij dan volgens vers 21 geleidelijk aan leren als ze elke Shabat naar de synagoge gaan, waar deze wordt voorgelezen. Helaas werd deze tekst naar mijns inziens door beide groepen verkeerd geïnterpreteerd. Met het extra benadrukken van vers 19 en het negeren van vers 21 werd dit Schriftgedeelte eeuwenlang door christenen aangehaald om daarmee te “bewijzen” dat de Tora voor de kerk niet meer van toepassing zou zijn. Toch omgekeerd gaan hun Joodse tegenhangers volgens mij eveneens de fout in door de besnijdenis van niet-joden te zien als een integraal onderdeel van de Tora en vers 21 daarop toe te passen. In vers 1 echter werden de beide eisen van de P’rushim [Farizeeën], namelijk dat de heidenen besneden moesten worden en dat ze de Tora moesten houden, apart genoemd en ook apart beoordeeld. Het besluit dat de vergadering genomen heeft ten aanzien van deze beide zaken heeft Sha’ul [Paulus] later opgenomen in zijn brieven aan de gelovigen in Korinthe en in Rome: “Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden. Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden van G’ds geboden.” (1 Korinthiërs 7:17-19). “Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de Tora volbrengt, maar indien gij een overtreder van de Tora zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden. Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der Tora in acht neemt, zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden? Dan zal de van nature onbesnedene, doordat hij de Tora volbrengt, u oordelen die, hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, een overtreder van de Tora zijt. Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van G’d. Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats toch dit, dat hun de woorden G’ds zijn toevertrouwd.” (Romeinen 2:25-29 en 3:1). De vergadering der apostelen heeft dus besloten dat de gelovigen uit de volken niet besneden hoefden te worden, maar dat ze zich wel moesten houden aan de geboden en inzettingen van de Tora. En uit bovenstaande tekst blijkt dat als ze dat doen, dus als de onbesnedenen de eisen der Tora in acht nemen, hun onbesnedenheid voor besnijdenis zal gelden.
Tot nu toe hebben we heel wat
gelezen over wat mensen over de besnijdenis te zeggen hebben. Laten we nu even
gaan kijken wat Adonai daar zelf over te zeggen
heeft: “Voorts zeide G’d tot Av’raham: En
wat u aangaat, gij zult Mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun
geslachten. Dit is Mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw
nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees
van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn
tussen Mij en u. Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat
mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van
enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is. Wie
in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker
besneden worden; zo zal Mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond.
En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat
besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft Mijn
verbond verbroken. - Daarop nam Av’raham zijn
zoon Yish’ma’el [Ismaël] en allen die in zijn
huis geboren waren, ook allen die door hem voor geld gekocht waren, al
wat mannelijk was onder Av’raham’s huisgenoten,
en hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals G’d tot hem
gesproken had. En Av’raham was negenennegentig
jaar oud, toen hij het vlees van zijn voorhuid liet besnijden. En zijn zoon Yish’ma’el was dertien jaar oud, toen hij het vlees
van zijn voorhuid liet besnijden. Op diezelfde dag werden Av’raham en zijn zoon Yish’ma’el
besneden. En al zijn huisgenoten, zowel die in zijn huis geboren, als die van
een vreemdeling voor geld gekocht waren, werden met hem besneden.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 17:9-14 en 23-27). De besnijdenis
is het teken van het verbond dat de Eeuwige met Av’raham
gesloten heeft en daarom in Handelingen 7:8 ook het verbond der besnijdenis
genoemd wordt. In het commentaar van Henry staat dat volgens sommigen het bloed
der mannen bij de besnijdenis vergoten wordt met het oog op het
Naar aanleiding van de grote verwarring die er momenteel binnen de messiaanse beweging heerst ten aanzien van de besnijdenis heb ik zowel TeNaCH [het z.g. Oude Testament] alsook B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] opnieuw nauwkeurig onderzocht en het resultaat van dit intensieve researchwerk is deze bijbelstudie. Voor alle duidelijkheid wil ik nadrukkelijk vermelden dat ik zelf reeds als baby besneden ben. Ik ben dus vanzelfsprekend van mening dat een Jood sowieso besneden hoort te zijn omdat hij tot het natuurlijke nageslacht van Av’raham behoort. Ik ga zelfs zo ver dat naar mijns inziens ook degenen besneden dienen te worden die Joodse voorouders hebben van vele generaties terug, want ook zij behoren tot het natuurlijk nageslacht. Dus nogmaals, ik ben beslist geen tegenstander van de besnijdenis, want het is een altoosdurende inzetting voor het nageslacht van Av’raham zowel via de tak van Yish’ma’el (de Arabieren) alsook via de tak van Yitz’chaq (de Joden), maar voor de gelovigen uit de volken ligt dit volgens mij toch wel even anders, want zowel in de TeNaCH alsook in B’rit haChadasha lezen wij nergens, dat de gelovigen uit de volken op vrijwillige basis besneden zouden moeten worden puur op grond van hun geloof in de G’d van Israël. Integendeel! Zoals u weet waren de eerste messiasbelijdende gemeenten samengesteld uit gelovige Joden en gelovigen uit de volken, en in talrijke teksten kunnen wij lezen dat hierbij sprake was van besneden en onbesneden gelovigen. Ik zal enkele van deze teksten opnoemen c.q. herhalen:
“Liegt niet meer tegen
elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe
aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn
Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden
of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen
is de Mashiach!” (Kolossenzen
3:9-11). Hier lezen wij duidelijk dat er in de gemeente van Yeshua geen onderscheid
gemaakt wordt tussen besnedenen en onbesnedenen, en er is derhalve geen enkele
reden aanwezig om zich als Griek zijnde te laten besnijden. De Griek wordt geen
Jood, de barbaar wordt geen Skyth en de onbesnedene wordt geen besnedene.
“Want in de Mashiach Yeshua vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende!” (Galaten 5:6). - “Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is.” (Galaten 6:15). Volgens deze beide teksten is het wel of niet besneden zijn helemaal niet relevant voor de gelovigen in Yeshua haMashiach, en let wel dat Sha'ul het hier wel heeft over gelovigen uit de volken, die geënt zijn op de Edele Olijfboom Israël en deel uitmaken van de Joodse gemeente!
“Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wél het houden van G’ds geboden!” (1 Korinthiërs 7:19). Hier staat weliswaar dat ook onbesnedenen de geboden van de Tora moeten houden, maar er staat niet dat ze zich moeten laten besnijden! Dat blijkt ook uit de volgende tekst: “Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der Tora in acht neemt, zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden? Dan zal de van nature onbesnedene, doordat hij de Tora volbrengt, u oordelen die, hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, een overtreder van de wet zijt! Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter!” (Romeinen 2:26-29). Sha'ul schrijft hier nadrukkelijk dat een onbesneden gelovige uit de volken, die besneden is van hart en volgens de Tora leeft, als besnedene dient te worden beschouwt!!! Als hij aan een bekeerde heiden van wie hij eerst geschreven heeft dat diens onbesnedenheid voor besnijdenis geldt, later alsnog de lichamelijke besnijdenis zou opleggen, dan zou Sha’ul zich hier zelf tegenspreken.
“Is G’d alleen de G’d der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen. Indien er namelijk één G’d is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof!” (Romeinen 3:29-30). Uit deze tekst blijkt opnieuw dat de eerste gemeente zowel uit besnedenen alsook uit onbesnedenen bestond. Hier worden de gelovigen uit de volken namelijk “de onbesnedenen” genoemd, waaruit wij kunnen concluderen, dat onder de volgelingen van Yeshua uitsluitend de messiasbelijdende Joden besneden hoefden te worden en niet ook de bekeerde heidenen.
“Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. Zalig de man, wiens zonde de Eeuwige geenszins zal toerekenen. Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Av’raham tot gerechtigheid gerekend. Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden. En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerechtigheid zou worden toegerekend, en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Av’raham in zijn onbesneden staat bezat!” (Romeinen 4:7-12). Ook hier wordt duidelijk aangegeven, dat er sprake is van zowel besneden alsook onbesneden gelovigen in de gemeente van Yeshua, zonder eerst te eisen dat ook zij besneden zouden moeten worden. Als de gelovigen uit de volken besneden waren zou Av’raham in deze tekst niet ook een vader van onbesnedenen genoemd worden.
De enige keer dat wij in het hele Nieuwe Testament tegenkomen dat er ook een Griek besneden werd, en dan nog door Sha’ul eigenhandig, was in Handelingen 16:1-3 bij de roeping van Timotheus, maar daar staat wel nadrukkelijk bij vermeld, dat hij een Joodse moeder had en derhalve dan ook ter wille van de Joden besneden werd omdat hij halachisch gezien Joods was. Titus, een andere Griekse reisgenoot van Sha’ul daarentegen, werd niet besneden, want hij was een niet-joodse gelovige uit de volken en had geen Joodse moeder zoals Timotheus. In Galaten 2:2-3 lezen wij derhalve: “Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd, ofschoon hij een Griek was, toch niet gedwongen zich te laten besnijden, en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in de Mashiach Yeshua hebben, te bespieden en zo ons tot slavernij te brengen.”
Tenslotte wil ik ook nog even ingaan op de eventueel uit het voorgaande voortvloeiende vraag of ook de onbesneden gelovigen uit de volken mogen deelnemen aan de viering van Pesach. Ik zeg ja! Een bepaling uit de Tora die dit lijkt tegen te spreken had binnen die context echter slechts betrekking op de heidenen die met de Israëlieten mochten vertrekken uit Egypte. Op grond van tvm> Sh’mot [Exodus] 12:43-48 trekken sommigen helaas de (volgens mij) verkeerde conclusie dat onbesneden gelovigen uit de volken niet mogen deelnemen aan de huidige viering van Pesach (waarbij dus het in de tempel geslachte lam ontbreekt). Ik zeg dus nog steeds dat dit wel zou mogen en in onze groep gebeurt dat dus ook! Deze genoemde bepaling uit de Tora had binnen die context namelijk uitsluitend betrekking op het mee-eten van het pesachlam door vreemdelingen die samen met de Israëlieten mochten vertrekken uit Egypte. Lees maar: “De Eeuwige zeide tot Moshe [Mozes] en Aharon [Aäron]: Dit is de inzetting van het Pesach [Pascha]: geen enkele vreemdeling mag ervan eten. Iedere slaaf, die door iemand voor geld is gekocht, mag er eerst van eten, wanneer gij hem besneden hebt. Een bijwoner en een dagloner mogen er niet van eten. - Maar wanneer een vreemdeling bij u vertoeft en de Eeuwige het Pesach [Pascha] wil vieren, dan zal ieder van het mannelijk geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om het te vieren; hij zal gelden als in het land geboren. Maar geen enkele onbesnedene mag ervan eten.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 12:43-45 en 48). U ziet, dat hier alleen maar staat dat het de onbesnedenen verboden was om van het pesachlam te eten, maar dat lam wordt sinds de verwoesting van de tempel ook niet meer gegeten door de besnedenen. De huidige Seiderviering verwijst daarom alleen nog maar symbolisch naar de oorspronkelijke Seiderviering en daarom is er voor de gelovigen uit de volken geen enkele belemmering meer om aan deze symbolische viering van Pesach deel te nemen, mits zij besneden zijn van hart. Dat dit niet alleen door mij, maar ook door velen binnen het huidige rabbijnse Jodendom zo wordt gezien blijkt al uit het feit dat veel orthodoxe Joodse gezinnen in Nederland, maar ook in Amerika en zelfs Israël, niet-Joodse vrienden en buren voor de Seideravond uitnodigen! Verder maak ik toch ook nog wel een onderscheid tussen de traditionele Pesachviering en de messiaanse Pesachviering waarin Yeshua centraal staat. Dat ook Sha’ul dit onderscheid maakt blijkt namelijk uit het feit, dat hij in 1 Korinthiërs 5:6-8 ook de niet-Joodse gelovigen uit de volken oproept om het feest van de ongezuurde broden te vieren, terwijl hij twee hoofdstukken verder in diezelfde brief, maar ook in zijn andere brieven aangeeft, dat dezen juist onbesneden zijn. Het pesachlam dat destijds geslacht werd, was een tijdelijk offer voor de bevrijding van de Israëlieten en de vreemdelingen die zich bij hen aansloten, maar het offer van Yeshua is een offer voor altijd ter bevrijding van de hele mensheid voor een ieder die in Hem geloofd en besneden is van hart! Daarom vraagt hij dan ook zeer terecht in Galaten 5:2-6, waarom een niet-Jood zich zou moeten laten besnijden? Hij heeft er geen enkele reden toe en loopt zelfs kans om zichzelf buiten de genade te plaatsen als hij het wel zou doen. Als de besnijdenis dus een voorwaarde zou zijn om aan een messiasbelijdende Pesachviering deel te mogen nemen, dan zou een onbesnedene eigenlijk ook niet mogen deel nemen aan het daaraan gekoppelde Heilig Avondmaal ofwel de S’udat haAdon!!! Voor beide vieringen geldt echter dezelfde voorwaarde: het geloof in het offer van Yeshua en de besnijdenis des harten. Daarom schrijft Sha’ul nadrukkelijk: “Laat ieder zo leven, als de Eeuwige hem toebedeeld heeft, zo, als G’d hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor. Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden. Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden van G’ds geboden. Ieder blijve bij die roeping, waarin hij was, toen hij geroepen werd!” (1 Korinthiërs 7:17-20). Dit wordt in vers 24 herhaald: “Broeders, iedereen blijve voor G’d in die toestand, waarin hij werd geroepen!” - De Statenvertaling zegt het zo: “Doch gelijk G’d aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verordene ik in al de Gemeenten. Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden. De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden G’ds. Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is! - Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij G’d!” - Sha’ul schrijft hier dus niet dat een gelovige uit de volken zich later alsnog zou moeten laten besnijden. Integendeel! Hij schrijft juist dat een onbesnedene in de toestand moet blijven waarin hij geroepen was en zich beslist niet moet laten besnijden! Om deze reden ben ik van mening, dat uitsluitend Joden en gelovigen met Joodse voorouders zowel besneden van vlees alsook besneden van hart moeten zijn, maar dat voor de niet-Joodse gelovigen uit de volken de besnijdenis des harten voldoende is.
In B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] betekent "onbesneden van hart" niet alleen dat men nog “in het vlees is”, maar dat men zich hardnekkig in zijn natuurlijke koppigheid tegen Adonai verzet. De besnijdenis van het hart is derhalve de innerlijke, gewillige overgave aan G’d. Aan de ene kant is deze besnijdenis des harten weliswaar het werk van Adonai in ons, maar aan de andere kant is het ook een beslissing die wij zelf moeten maken. Want aan de ene kant zegt Adonai dat Hij ons een besneden hart wil geven met het verlangen om Zijn wil te doen, maar aan de andere kant zegt de Eeuwige ook dat wijzelf de voorhuid van ons hart moeten besnijden: “En de Eeuwige, uw G’d, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Eeuwige, uw G’d, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 30:6). “Zie, van de Eeuwige, uw G’d, is de hemel, ja, de hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is; alleen aan uw vaderen heeft de Eeuwige Zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volken uitverkoren, zoals dit heden het geval is. Besnijdt dan de voorhuid uws harten en weest niet meer hardnekkig!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 10:14-16). “In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van de Mashiach” (Colossenzen 2:11). “Besnijdt u voor de Eeuwige en doet weg de voorhuid van uw hart, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem, opdat Mijn gramschap niet uitsla als een vuur en onuitblusbaar brande om de boosheid uwer handelingen!” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 4:4). Een onbesneden hart is dus een hart dat zich verzet tegen Adonai en een onbesneden oor is een oor dat niet naar G’d en Zijn woord wil luisteren: “Zie, hun oor is onbesneden, zodat zij niet kunnen luisteren; zie, het woord van Adonai is hun tot een smaad, zij hebben daarin geen behagen!” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 6:10). Onbesneden van hart en oren zijn betekent volgens deze teksten, dat er blokkades liggen, verstoppingen in ons hart en onze oren. Zodat G’ds woord er niet kan binnendringen of bepaalde boodschappen van Adonai bij ons niet meer landen. Niet meer in ons hart komen. Omdat onze geestelijke gehoorgang vol met oorsmeer zit. Dan moet Adonai gaan snijden in ons hart, in ons leven. De dichtgegroeide plekken verwijdert Hij. Dat is een pijnlijke operatie. Wij moeten zelf ook gaan snijden. Ons hart besnijden en laten besnijden met het scherpe mes van Adonai, namelijk Ruach haQodesh [de Heilige Geest]. Dat noemt de bijbel dan zelfverloochening. De Eeuwige wil het mes in ons leven zetten om de blokkades, die tussen Hem en ons liggen, weg te nemen, zodat zijn Woord en Geest vrije doorgang krijgen in ons hart en leven. In de bijbel wordt onze oude natuur onbesnedenheid genoemd en onze nieuwe natuur besnijdenis van het hart: “Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van G’d!” (Romeinen 2:28-29). Toegepast op het hart, de zetel van de menselijke wil en het verstand, betekent ‘besnijden’ het wegnemen van datgene wat het hart belemmert om gevoelig, soepel en ontvankelijk voor G’ds Woord te zijn. Het besnijden van het hart betekent niets anders dan het hart gereed maken voor de liefde, het hart zodanig veranderen dat men Adonai met het hele hart kan liefhebben en in het verlengde daarvan ook de medemens kan liefhebben. Denk daarbij aan de twee grootste geboden om G’d lief te hebben met heel je hart en je naaste als jezelf. Dus wanneer Moshe [Mozes] vraagt om een besnijdenis van het hart dan vraagt hij om een totale mentaliteitsverandering en zonder het woord te noemen roept hij eigenlijk op tot bekering: “Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en weest niet meer hardnekkig!” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 10:14-16). Bent u al besneden van hart? Zo niet, maak dan zo spoedig mogelijk een afspraak met onze hemelse Mohel…